Het woord inclusie is een vast onderdeel van mijn handelingsrepertoire geworden. Ik benoem het altijd, minstens een keer, ook als een organisatievraagstuk er niet over gaat. Of het nu gaat over ontwerpprojecten van meerdere trainingen, burgerschapsprojecten, onderzoek of herinrichting van werkprocessen. Ook als iets geen inclusievraagstuk is, betekent het niet dat inclusie er geen onderdeel van is. Elk ontwerp vraagt om inclusie. Als je het als ontwerpprincipe benadert. Want wat we vaak ‘inhoudelijke’ of ‘technische’ trajecten noemen, zijn in werkelijkheid trajecten waarin mensen moeten meebewegen. Besluiten moeten begrijpen. Veranderingen moeten dragen. Zich moeten verhouden tot iets wat al is uitgedacht.
Wat een gemis dat we inclusie zo smal hebben gemaakt en hebben gereduceerd tot ”iedereen moet mee kunnen doen, ook als ze niet tot de dominante norm van de organisatie behoren. We hebben inclusie smal gemaakt. En gekoppeld aan ‘doelgroepen’. Aan diversiteit. Aan sociale thema’s. Terwijl inclusie in de kern gaat over iets veel fundamentelers. Latijns komt inclusie van includere / includo: in (erin) + claudere (sluiten).
Het woord werd gebruikt om aan te geven dat iets binnen een afbakening wordt opgenomen (niet als moreel ideaal) maar als praktische handeling: iets hoort binnen het geheel, niet erbuiten. Oorspronkelijk ging het dus niet over identiteit of rechtvaardigheid, minderheden maar over ordening, samenhang en volledigheid. Pas veel later kreeg het een normatieve en sociale betekenis. In die zin is inclusie van oorsprong helemaal geen activistisch begrip, maar een ontwerpwoord. Bij inclusie spelen bredere vragen mee zoals:
wie kan hier vanzelf in mee? wie moet extra schakelen? en waar hebben we onbedoeld één manier van denken als norm genomen?
Dat speelt niet alleen bij ‘identiteitsvormende’ vraagstukken. Dat speelt altijd. Ik zie het bijvoorbeeld bij verandertrajecten die logisch zijn opgebouwd. Er is nagedacht over fasering. Over communicatie. Over draagvlak. Iedereen krijgt dezelfde informatie, op hetzelfde moment, via dezelfde kanalen. En toch ontstaat er ruis. Vertraging. Weerstand. Logisch, iedereen wil verandering, niemand wil veranderen. Afijn, mensen zijn niet perse tegen verandering, maar het ontwerp gaat er altijd vanuit dat iedereen verandering op dezelfde manier verwerkt.
Dat iedereen:
- informatie op dezelfde manier leest,
- zich veilig voelt om vragen te stellen,
- rationeel kan scheiden wat persoonlijk voelt,
- en gewend is om in abstracties te denken.
En precies dit vind ik een smalle aanname. Wanneer je inclusie breder trekt, ga je daar niet moreel over doen. Je gaat er ontwerptechnisch anders naar kijken.
Dan ontwerp je processen die:
- ruimte laten voor verschillende snelheden,
- meerdere vormen van betrokkenheid kennen,
- niet alleen de luidste of snelste stemmen ophalen,
- en informatie niet één keer zenden, maar laten landen.
Het resultaat? Minder herstelwerk achteraf…. Wat ik steeds meer ontdek nu ik inclusie als ontwerpperspectief meeneem is dat trajecten veel duurzamer worden. Met veel meer oog voor de menselijke kant van verandering. Besluiten landen beter. Weerstand komt eerder naar boven. En mensen voelen zich niet per se altijd gehoord, maar in elk geval wel serieus genomen. Dat verschil is cruciaal. Maar… het vraagt wel iets anders van ons taalgebruik en de vragen die we daaromheen stellen, bijv: “Wat nemen we hier als vanzelfsprekend uitgangspunt?” “Voor wie werkt dit ontwerp moeiteloos en voor wie niet?” Dat zijn geen activistische vragen. Dat zijn vakmatige vragen.